21st century skills

Denkt u eens na…. Welke beroepen zouden er over 20 jaar zijn? Uiteraard  zijn er dan beroepen die er nu ook zijn. Maar er komen vast ook nieuwe beroepen bij.

 

Misschien zijn er over 20 jaar wel productiviteitsadviseurs, persoonlijke digitale curatoren, digitale detox therapeuten. Of docenten hacken, drone bestuurders of crowdfunding specialisten.


Van die laatste drie beroepen is het zeker niet ondenkbaar dat ze de komende jaren al hun opmars maken.

Wie weet wat uw kind later wordt…

 

In de toekomst worden andere vaardigheden steeds belangrijker.
Er zijn al veel onderzoeken gedaan naar vaardigheden die de leerlingen die nu bij ons op school zitten later nodig zullen hebben.

Dit worden de 21st century skills genoemd, oftewel de vaardigheden van de 21e eeuw.
Kennisnet heeft hier een Nederlands model voor ontwikkeld:

Hieronder staat een uitgebreide uitleg van de 11 termen van 21st century skills.

Naast onze basisvakken taal en rekenen worden deze vaardigheden nu en in de toekomst steeds belangrijker voor onze leerlingen en nemen ze een plek in in ons onderwijs.

 

Op ’t Klokhuis zijn we ons bewust van onze veranderende taak en rol. 

 

Door het thematisch werken, laten we leerlingen meer en meer kennismaken en oefenen met de vaardigheden. Op deze manier bereiden we ze voor op leven, leren en werken in de toekomst! 

Ook ontstaat hierdoor een mooie balans in ons onderwijsaanbod.

 

Definitie van 21st century skills

21st century skills, ook wel 21e eeuwse vaardigheden genoemd, is een verzamelnaam voor elf competenties. Vaak wordt over deze competenties gesproken in de context van de huidige netwerksamenleving. De 21st century skills bereiden leerlingen voor op een toekomst die snel verandert door technologie en digitalisering.

Het Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling (SLO) en Kennisnet ontworpen een model van de 21e eeuwse vaardigheden. Hieronder een overzicht van en toelichting op de verschillende vaardigheden.

1. Communiceren

Leerlingen moeten doelgericht boodschappen kunnen overbrengen en begrijpen. Ze moeten adequaat kunnen omgaan met verschillende communicatieve situaties en communicatiepartners. Ze moeten passende communicatiemiddelen kunnen hanteren en effectief gebruik kunnen maken van de mogelijkheden van ICT en technologie.

Communicatie wordt steeds belangrijker. Mensen zijn in toenemende mate met elkaar verbonden en zijn zich vaak onvoldoende bewust hoe groot het bereik van hun communicatie is. In het onderwijs neemt communicatie ook een grote rol in, het is van belang in alle vakken en leergebieden. Communicatie is essentieel bij persoonsvorming en de ontwikkeling van burgerschap.

2. Samenwerken

Samenwerken is het gezamenlijk realiseren van een doel waarbij je anderen aanvult en ondersteunt. Samenwerken bevat zowel een sociale als een cognitieve component. Het gaat om het (h)erkennen van verschillende rollen bij jezelf en anderen, hulp en feedback vragen, geven en ontvangen, een positieve en open houding hebben, verschillen respecteren, onderhandelen en afspraken maken, functioneren in heterogene groepen en effectief communiceren.

In de 21ste eeuw wordt voornamelijk gewerkt in teams. Dit kunnen leerlingen op school leren door groepswerk. Zo leren ze niet alleen van de interactie met de docent, maar ook van de interactie met elkaar. Door te reflecteren op een samenwerking leert de leerling daarnaast meer over zichzelf.

3. Sociale en culturele vaardigheden

Deze vaardigheid betreft het effectief kunnen leren, werken en leven met mensen met een verschillende etnische, culturele of sociale achtergrond. Sociale afkomst en cultuur zijn bepalend voor hoe je denkt, handelt, met elkaar omgaat en communiceert. Om in de 21ste eeuw goed te kunnen samenleven met mensen waarmee je verschilt in achtergrond, is het belangrijk kennis te hebben van verschillende opvattingen en daar rekening mee te houden. Klassen zullen steeds diverser worden. Daarom is het goed als leerlingen sensitief omgaan met verschillen en hun talenten inzetten om aan te sluiten bij de ander.

Leerlingen moeten hun eigen gevoelens, opvattingen en cultuur kunnen benoemen en daarop kunnen reflecteren. Ze moeten zich bewust zijn van de eigen individuele en collectieve verantwoordelijkheid in de maatschappij. Ze moeten inlevingsvermogen kunnen tonen en belangstelling voor anderen. Het is belangrijk dat leerlingen leren om gedragscodes in verschillende sociale situaties te herkennen en dat ze constructief kunnen communiceren in verschillende culturele situaties.

4. Zelfregulering

Niet klakkeloos de aanwijzingen volgen, maar zelfstandig handelen en daar de verantwoordelijkheid voor nemen. Dat is waar zelfregulering om draait, rekening houdend met de context en de eigen capaciteiten. Specifieker gaat het bij zelfregulering om het stellen van realistische doelen en prioriteiten op basis van eerdere ervaringen, doelgericht handelen, het plannen van het proces, reflecteren en zicht hebben op de consequenties van het eigen handelen voor zichzelf en de omgeving.

In de 21ste eeuw wordt men steeds meer aangesproken als individu. Iedereen moet verantwoordelijkheid nemen voor zijn of haar eigen leven en zelfstandig kunnen handelen. Daarom is het belangrijk dat leerlingen zelfregulering aanleren. Zelfstandig leervermogen is hierbij ook belangrijk. Leerlingen moeten zich voorbereiden op een leven waarin ze zelf hun kennis op peil moeten houden en nieuwe kennis blijven verwerven.

5. Kritisch denken

Dit is het vermogen om zelfstandig te kunnen komen tot weloverwogen en beargumenteerde afwegingen, oordelen en beslissingen. Leerlingen hebben daar denkvaardigheden voor nodig, houdingsaspecten, reflectie en zelfregulerend vermogen.

Onder denkvaardigheden vallen de capaciteiten informatie te kunnen doorzien en op waarde te kunnen schatten, onjuistheden te signaleren en een visie of mening te kunnen beoordelen. Zo kan een leerling beargumenteerd zijn of haar standpunt bepalen en een beslissing nemen.

Hier hoort een kritische houding bij. Leerlingen moeten goed geïnformeerd willen zijn, geneigd zijn om redenen en oorzaken te zoeken, standpunten van anderen respecteren en bereid zijn om die standpunten te laten meewegen in hun beslissing. Ook reflectie en zelfregulerend vermogen zijn belangrijk. Een kritische leerling onderzoekt zijn of haar eigen denkproces en stelt zo nodig de beslissing, opvatting of actie bij.

Leerlingen kunnen in hun leeromgeving worden uitgedaagd tot kritisch denken wanneer de docent de leerlingen eerst vraagt om een onderwerp, vraag of probleem te analyseren voordat ze hun mening vormen. Ook helpt het om achteraf te reflecteren op hoe het kritisch denken een rol heeft gespeeld bij het proces en te bedenken wat de volgende keer anders of beter kan.

6. Creatief denken

Creatief denken is het vermogen om nieuwe ideeën te vinden. Bij creatief denken hoort het kennen en hanteren van creatieve technieken, het denken buiten gebaande paden, nieuwe samenhangen kunnen zien, (verantwoorde) risico’s durven nemen, fouten kunnen zien als leermogelijkheden en een ondernemende en onderzoekende houding.

Deze competentie behoort tot de 21st century skills omdat complexe maatschappelijke kwesties op mondiale schaal vragen om creatieve oplossingen wanneer standaardoplossingen niet meer voldoen. Creatief vermogen wordt het sterkst ontwikkeld in een rijke leeromgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd om zelf oplossingen te bedenken.

7. Probleem oplossen

Probleemoplossend denken en werken is het vermogen om een probleem te herkennen en een plan te bedenken om het betreffende probleem op te lossen. Het is belangrijk dat leerlingen problemen kunnen signaleren, analyseren en definiëren. Leerlingen moeten strategieën kennen en hanteren om met problemen om te gaan. Ook is het belangrijk dat leerlingen patronen creëren en beargumenteerde keuzes maken.

Bij deze 21e eeuwse vaardigheid is het proces om tot een oplossing te komen belangrijker dan de oplossing zelf. Om de oplossing te vinden, gebruiken leerlingen vakinhoudelijke kennis en vaardigheden.

8. Computational thinking

Om toekomstige problemen te kunnen oplossen, moeten leerlingen begrijpen hoe ze de huidige technologie kunnen gebruiken. Computational thinking bestaat uit meerdere vaardigheden. Leerlingen moeten problemen zodanig kunnen formuleren dat het mogelijk is om digitale toepassingen te gebruiken om de problemen op te lossen. Ook is het belangrijk dat leerlingen data logisch kunnen ordenen en analyseren. Daarnaast moeten leerlingen een keuze kunnen maken voor de beste stappen en bronnen om tot een oplossing te komen. Tenslotte dienen leerlingen het proces te generaliseren zodat ze dat ook bij volgende problemen kunnen toepassen.

Het is belangrijk dat leerlingen over voldoende vertrouwen en doorzettingsvermogen beschikken om complexe problemen op te lossen. Ze ontwikkelen gaandeweg vaardigheden om met anderen te communiceren en te werken aan een gezamenlijk doel.

9. Informatievaardigheden

Deze vaardigheden hebben betrekking op het kunnen signaleren en analyseren van de informatiebehoefte. Leerlingen moeten leren om relevante informatie te kunnen zoeken, selecteren, verwerken, gebruiken en toepassen. Daarvoor het is het nodig dat ze een zoekvraag kunnen formuleren, trefwoorden kunnen generen, informatie kunnen beoordelen en de gevonden informatie kunnen organiseren.

In de 21e eeuw staat er veel desinformatie op het internet. Het is daarom belangrijk dat leerlingen leren om onderscheid te maken tussen bruikbare en onbruikbare informatie.

10. ICT-basisvaardigheden

Basiskennis is voorwaardelijk voor het goed kunnen omgaan met ICT. Leerlingen dienen de basisbegrippen en basisfuncties van computers en computernetwerken te kennen, hardware te kunnen aansluiten en bedienen, standaard kantoortoepassingen te kunnen gebruiken en te kunnen werken met internet en softwareprogramma’s. Ook is het van belang dat leerlingen op de hoogte zijn van en kunnen omgaan met beveiligings- en privacyaspecten.

11. Media wijsheid

De Raad voor Cultuur definieert mediawijsheid als volgt: het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld. Volgens de Raad van Cultuur draait het bij mediawijsheid om drie belangrijke activiteiten die betrekking hebben op alle burgers, dus niet alleen op kinderen.

  1. Functioneren: mediawijsheid is nodig om goed te kunnen functioneren in de hedendaagse samenleving.
  2. Participeren: mediawijsheid is nodig om goed te kunnen participeren in het maatschappelijke proces.
  3. Produceren: mediawijsheid is nodig omdat de nieuwe media uitnodigen tot het produceren van content.

Digitale geletterdheid

Digitale geletterdheid is een term die vaak in verband wordt gebracht met de 21st century skills. Toch is dit geen 21e eeuwse vaardigheid. Het begrip digitale geletterdheid duidt op de combinatie van de vaardigheden computational thinking, ict-basisvaardigheden, mediawijsheid en informatievaardigheden. Digitale geletterdheid wordt omschreven als het vermogen digitale informatie en communicatie verstandig te gebruiken en de gevolgen daarvan kritisch te beoordelen. Er worden drie competenties onderscheiden die van belang zijn bij digitale geletterdheid. Dat zijn:

  1. Basiskennis. Het begrip van de werking van digitale computers en netwerken en de mentaliteit van computational thinking.
  2. Gebruik. De kritische omgang met ICT; besef van de gevolgen van de digitale revolutie voor mens en maatschappij.
  3. Gedrag. Het hanteren van normen en waarden; het kritisch inschatten van kansen en risico’s; het afwegen van eigendom, privacy en vrijheid.

Samenvattend is een digitaal geletterde digitaal denkend, digitaal vaardig en digitaal verantwoordelijk.